Zorgbezuinigingen en het VN-verdrag Handicap

Zorgbezuinigingen en het VN-verdrag Handicap: waarom dit problematisch is

De aangekondigde bezuinigingen en lastenverzwaringen in de zorg raken mensen met een beperking, chronische ziekte en blijvende mobiliteitsbeperking niet zomaar als gewone burgers. Zij raken een groep die vaak al structureel hogere noodzakelijke kosten heeft en voor deelname aan de samenleving afhankelijk is van zorg, ondersteuning, hulpmiddelen, vervoer en aangepaste mobiliteit.

Daarom moeten deze maatregelen niet alleen financieel, maar ook juridisch en mensenrechtelijk worden beoordeeld.

Nederland is gebonden aan het VN-verdrag Handicap. Dat verdrag is geen vrijblijvende intentieverklaring. Het verplicht de overheid om drempels weg te nemen en ervoor te zorgen dat mensen met een beperking op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de samenleving. Volgens de Rijksoverheid moeten mensen met een beperking of chronische ziekte net als ieder ander kunnen meedoen: op school, op het werk, in het openbaar vervoer en in hun vrije tijd.

Juist daarom zijn maatregelen die noodzakelijke zorg, ondersteuning, hulpmiddelen of mobiliteit duurder of minder bereikbaar maken problematisch. Voor mensen met een beperking gaat het niet om luxe. Het gaat om voorwaarden om zelfstandig te kunnen leven, zich te kunnen verplaatsen, sociale contacten te onderhouden en gebruik te kunnen maken van voorzieningen die voor anderen vanzelfsprekend zijn.

Het VN-verdrag Handicap gaat uit van gelijkwaardigheid, autonomie, participatie en toegankelijkheid. Het College voor de Rechten van de Mens benadrukt dat deze grondbeginselen systematischer moeten terugkomen bij het maken, uitvoeren en evalueren van wetgeving en beleid. Dat betekent dat de overheid niet alleen mag kijken naar de begroting, maar ook naar de gevolgen voor het dagelijks leven van mensen met een beperking.

Een belangrijk probleem is de stapeling van maatregelen. Een hogere eigen bijdrage, minder Wmo-ondersteuning, hogere zorgkosten, duurdere hulpmiddelen, vervoerskosten, digitale drempels en het wegvallen van compensaties kunnen afzonderlijk misschien beperkt lijken. Maar samen kunnen zij ertoe leiden dat mensen minder mobiel worden, zorg uitstellen, minder sociale contacten onderhouden of niet meer volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving.

Dat is precies waar het VN-verdrag Handicap voor waarschuwt. De overheid moet beleid maken dat mensen met een beperking dichter bij gelijkwaardige deelname brengt, niet verder daarvan verwijdert.

Natuurlijk heeft de regering beleidsruimte. Een kabinet mag keuzes maken en moet ook naar de overheidsfinanciën kijken. Maar die ruimte is niet onbeperkt. Wanneer beleid leidt tot achteruitgang voor mensen met een beperking, moet de overheid zwaar motiveren waarom dat noodzakelijk, proportioneel en niet-discriminerend is. Ook moet worden onderzocht of er minder schadelijke alternatieven zijn.

Daarbij is het van groot belang dat mensen met een beperking en hun organisaties vroegtijdig en daadwerkelijk worden betrokken. Het College voor de Rechten van de Mens wijst erop dat betrokkenheid van mensen met een beperking bij beleid een belangrijke verplichting uit het VN-verdrag Handicap is. Beleid over zorg, ondersteuning, mobiliteit en bestaanszekerheid mag dus niet over mensen met een beperking worden gemaakt zonder hun ervaringen serieus mee te nemen.

Onze zorg is dat de aangekondigde maatregelen vooral financieel worden benaderd, terwijl de mensenrechtelijke gevolgen onvoldoende zichtbaar zijn. Een maatregel die op papier een besparing oplevert, kan in de praktijk leiden tot verlies van zelfstandigheid, gezondheid, mobiliteit en maatschappelijke deelname.

Dat is niet alleen sociaal onrechtvaardig, maar ook problematisch in het licht van het VN-verdrag Handicap.

De overheid zou daarom vooraf moeten aantonen:

  • wat de gevolgen zijn voor mensen met een beperking en chronische ziekte;
  • hoe stapeling van kosten en beperkingen wordt voorkomen;
  • of mensen nog gelijkwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving;
  • of minder schadelijke alternatieven zijn onderzocht;
  • hoe mensen met een beperking en hun organisaties zijn betrokken;
  • hoe wordt voorkomen dat noodzakelijke zorg, ondersteuning, hulpmiddelen en mobiliteit feitelijk onbereikbaar worden.

Een stapelingstoets is daarbij noodzakelijk, maar niet genoeg. Het uitgangspunt moet zijn dat mensen met een beperking niet opnieuw op achterstand worden gezet. Gelijkwaardigheid moet het vertrekpunt zijn, niet een correctie achteraf.

De kern is eenvoudig: mensen met een beperking vragen niet om een voorkeurspositie. Zij vragen om gelijke kansen om mee te kunnen doen. Beleid dat noodzakelijke zorg, ondersteuning en mobiliteit moeilijker bereikbaar maakt, raakt rechtstreeks aan dat recht.

Daarom roepen wij kabinet, Tweede Kamer, Eerste Kamer en gemeenten op om deze maatregelen niet alleen financieel te beoordelen, maar ook te toetsen aan het VN-verdrag Handicap. Voorkom dat bezuinigingen op papier leiden tot uitsluiting in de praktijk.


Bronnen:

  • Rijksoverheid: gelijke rechten voor mensen met een beperking of chronische ziekte.
  • College voor de Rechten van de Mens: rechten van mensen met een beperking en grondbeginselen van het VN-verdrag Handicap.
  • College voor de Rechten van de Mens: betrokkenheid van mensen met een beperking bij beleid.
  • VN-Comité Handicap: aanbevelingen aan Nederland na de beoordeling van 2024.
Share

Vergelijkbare berichten