Den Haag ontwijkt de juridische kernvraag over gelijke parkeerrechten
Gelijke rechten bij parkeren mogen niet afhangen van gemeentegrenzen.
De gemeente Den Haag heeft gereageerd op vragen over gelijke toegang tot gemeentelijke parkeerregelingen voor mensen met een handicap, ongeacht hun woonplaats. Daarbij blijft volgens ons vooral de juridische kern van het probleem liggen.
Waar het om gaat, is niet alleen hoe een gemeente haar regeling heeft ingericht, maar vooral of een woonplaatscriterium juridisch houdbaar is wanneer daardoor mensen met een beperking in vergelijkbare omstandigheden ongelijk worden behandeld.
Dat is geen praktische detailkwestie, maar een fundamentele rechtsvraag.
Gemeenten beroepen zich in dit soort zaken vaak op hun beleidsvrijheid. Maar die beleidsvrijheid is niet onbeperkt. Gemeentelijke bepalingen en beleidsregels mogen niet in strijd zijn met hogere wetgeving, algemene rechtsbeginselen of internationale verdragen. Juist daar ligt de grens.
Bij regelingen die direct raken aan de mobiliteit, zelfstandigheid en maatschappelijke deelname van mensen met een beperking, moet daarom ook worden getoetst aan hogere normen, zoals het gelijkheidsbeginsel, het VN-Verdrag Handicap en het EVRM. Dan is het niet voldoende om alleen te stellen dat een regeling voor inwoners bedoeld is. De juridische vraag is of een dergelijk onderscheid naar woonplaats ook objectief gerechtvaardigd, noodzakelijk en proportioneel is.
Precies dat punt blijft te vaak onbeantwoord.
In plaats van een inhoudelijke juridische toets zien we regelmatig reacties die blijven steken in verwijzingen naar bestaand beleid, lokale uitvoeringskeuzes of gemeentelijke autonomie. Maar de vraag is niet óf een gemeente dergelijke regels heeft vastgesteld. De vraag is of een gemeente zulke regels mag hanteren als zij daardoor mensen met een beperking uitsluit die feitelijk in vergelijkbare omstandigheden verkeren.
Ook een verwijzing naar hulpmiddelen of lokale systemen verandert daar niets aan. Zulke middelen kunnen hooguit inzicht geven in verschillen tussen gemeenten, maar zij lossen het onderliggende juridische probleem niet op. Zij nemen de rechtsongelijkheid niet weg, maar maken juist zichtbaar dat de positie van mensen met een beperking nog steeds afhankelijk kan zijn van gemeentegrenzen en lokaal beleid.
Dat is principieel onjuist.
Rechten op toegankelijkheid, persoonlijke mobiliteit en gelijke behandeling mogen niet afhangen van de vraag in welke gemeente iemand woont, of in welke gemeente iemand moet zijn voor zorg, ondersteuning, familiebezoek, werk of andere noodzakelijke activiteiten.
Juist daarom is het nodig dat gemeenten niet volstaan met een beroep op beleidsvrijheid, maar ook daadwerkelijk ingaan op de juridische vraag of hun regels in overeenstemming zijn met hogere regelgeving. Zolang die toets uitblijft, blijft de rechtspositie van mensen met een beperking onnodig onzeker.


